Onderzoek naar binnenklimaat

| Door IVVD

Frisse Scholen PO/VO

Buro Loo verricht voor de gemeente Amsterdam onderzoek naar het binnenklimaat in scholen. Een noodzakelijke eerste stap op weg naar gezonde onderwijsgebouwen. Het begint tenslotte allemaal met inzicht. De eerste resultaten van het onderzoek werden onlangs gepresenteerd tijdens de Onderwijsvastgoed Dag van de IVVD.

De uitdaging voor Buro Loo was vanaf het begin helder. In een kort tijdsbestek moeten 355 schoolgebouwen worden onderzocht op alle aspecten van het binnenmilieu. In 2015 werd een begin gemaakt met deze megaklus en dit jaar zijn de laatste ca. 70 scholen onder de loep genomen. Het onderzoek maakt deel uit van het project Gezonde Schoolgebouwen Amsterdam om in alle scholen een beter binnenmilieu te realiseren, te beginnen bij het verzamelen van de juiste data.

‘Uit eerder onderzoek is gebleken dat de kwaliteit van het binnenmilieu in scholen ernstig te wensen overlaat’, stelt Aga Spuijbroek, bouwmanager bij het Projectmanagementbureau van de gemeente Amsterdam. ‘Dat heeft negatieve effecten op leerlingen en leerprestaties. Vandaar dat wij vanuit de gemeente het project Gezonde Schoolgebouwen Amsterdam zijn gestart, in samenwerking met de scholen. Buro Loo begeleidt namens de gemeente het onderzoek naar de huidige staat van het binnenklimaat in alle Amsterdamse scholen en komt met aanbevelingen.’

De scholen financieren mee in het GSA-project en kunnen meebeslissen over de maatregelen en wijze van uitvoering. Voor het zover is, moeten eerst de nodige data verzameld worden. ‘Samen met de gemeente Amsterdam willen we voor 355 schoolgebouwen op een objectieve manier de luchtkwaliteit meten’, vertelt Machiel Karels van Buro Loo. ‘Een gigantische opgave waarbij de tijdsdruk groot is. Inzicht in je schoolvoorraad en de luchtkwaliteit daarvan is echter de eerste voorwaarde om dit probleem überhaupt aan te kunnen pakken.’

VS-5-2017-grafiek-pag11Meten is weten
Er zijn in de huidige tijd ontzettend veel data beschikbaar, maar die moet je wel eerst boven tafel krijgen. ‘Meten is weten’, stelt Karels. Het oude Philips-adagium gaat volgens hem zeker op voor de aanpak van het klimaatprobleem in scholen. ‘Voordat je plannen kunt maken en kunt acteren moet je eerst helder hebben hoe de scholen ervoor staan. Welke scholen scoren goed, welke slecht? Waar moeten de eerste prioriteiten liggen? Om dat inzichtelijk te krijgen hebben we een stappenplan opgesteld. De eerste stap zijn de zogenaamde flitsopnames. Hiermee hebben we heel snel, objectief een vermeende luchtkwaliteitsklasse per school vast kunnen stellen. Parallel daaraan hebben we de mobiele meetset bedacht waarmee we de luchtkwaliteit op een snelle manier kunnen meten.’

De flitsopnames zijn zo ingestoken dat inspecteurs binnen een half uur kunnen vaststellen wat de ‘theoretische’ luchtkwaliteitsklasse is per school. ‘Daarbij kijken de inspecteurs per school naar de belangrijkste gebouwkenmerken’, verduidelijkt Karels. ‘Zo kunnen ze aan de hand van bouwfysische en installatietechnische kenmerken snel vaststellen wat het basisniveau is qua luchtkwaliteitsklasse per school. Het gaat dan om zaken als de gevelopbouw, type ventilatiesystemen, of er überhaupt ventilatoren op het dak staan, enzovoort. Zo hebben we binnen zes weken voor 233 scholen de vermeende luchtkwaliteit vastgesteld. Dan heb je al een belangrijke eerste schifting gemaakt.’

Werkelijke waarden
‘Met de flitsopnamemethodiek hebben we in zeer korte tijd veel inzicht in het gehele scholenbestand opgebouwd’, vertelt Karels. ‘Maar dan heb je nog geen kennis van de werkelijke waarden. Vandaar dat we mobiele meetsets hebben bedacht: datameters, waarmee we de werkelijke situatie op de scholen kunnen meten. Die datameters zijn door een leverancier voor ons samengesteld. Daarnaast hebben we met relatief weinig geld een online platform ontwikkeld waarmee je scholen onderling kunt vergelijken ten aanzien van luchtkwaliteit. Met heldere, standaardrapportagemethodiek konden we vervolgens per school inzichtelijk krijgen waar de problemen zitten en wat er verbeterd moet worden. Daarbij hebben we getracht zo veel mogelijk de verbanden inzichtelijk te maken.’

Enkele opmerkelijke conclusies
De eerste drie jaar van het project zitten er inmiddels op en daarbij zijn enkele opmerkelijke conclusies naar voren gekomen. Spuijbroek: ‘Het blijkt dat bij een kwart van de schoolgebouwen met een matige luchtkwaliteit de oorzaak ligt in het verkeerd inregelen van de systemen en het foutief instellen van de kloktijden. Met een minimale ingreep valt hier een optimalisatie van het systeem te behalen. Bij andere scholen bleek de luchtbehandelingskast zelfs uit te staan of storingen te vertonen. In sommige gevallen waren systemen bewust uitgezet om bijvoorbeeld geluidsoverlast te voorkomen.’

De resultaten van het onderzoek hebben scholen aangezet om maatregelen te nemen. Een flink deel van de scholen heeft de zaken in de tussentijd aangepakt zodat de luchtkwaliteit nu is verbeterd. Voor enkele scholen is besloten een nog intensievere 100 procentmeting te verrichten, omdat de oorzaak van de matige luchtkwaliteit moeilijk blijkt te achterhalen. Toch moet volgens Karels op een kwart van de scholen de situatie simpel te verbeteren zijn. ‘Dan hebben we het over scholen waar de systemen verkeerd zijn ingeregeld of zijn uitgezet. Of waar verkeerde kloktijden zijn ingesteld. Daarnaast is er ook een flinke categorie scholen waar extra geld geïnvesteerd moet worden om de problemen rond de luchtkwaliteit te verbeteren.’

Structurele oplossingen
Voor Karels rest de vraag hoe we de luchtkwaliteit op scholen in heel Nederland structureel kunnen verbeteren. ‘Als we onze onderzoeksresultaten leggen naast de onderzoeksresultaten uit bijvoorbeeld Rotterdam waar de GGD veel onderzoek uitvoert, dan zie je veelal dezelfde beelden, dezelfde valkuilen en dezelfde problematiek. Er wordt nog te veel met oogkleppen op gekeken naar de luchtkwaliteit op scholen. Het ontwerp kan daarbij best in orde zijn, maar er wordt niet of nauwelijks gekeken naar het onderhoud en de exploitatie. Laat staan naar het gebruik. Dat is vragen om problemen.’

Om toch tot een goed binnenklimaat op scholen te komen moet er volgens Karels naar het integrale plaatje gekeken worden. ‘Er zijn ontzettend veel data beschikbaar om met dit probleem aan de slag te gaan. Maar in de praktijk blijkt het voor de scholen moeilijk om een hel¬ere vraagstelling te formuleren. Er is meer begeleiding nodig om de vertaalslag te maken van al die kennis naar de bouwprocessen, of het nu onderhoud, renovatie of nieuwbouw betreft. Daarnaast moeten scholen bewust beleid maken op dit onderdeel. Er moet binnen scholen meer kennis komen over het gebruik van de systemen. Ook de conciërge moet daar de nodige kennis over hebben of in ieder geval een andere partij aan kunnen sturen. Pas als we dit probleem op een integrale manier benaderen, kunnen we de opgave die er ligt op die duizenden bestaande scholen het hoofd bieden.’

GEZONDE SCHOOLGEBOUWEN
Amsterdam telt 355 onderwijsgebouwen, waarvan 272 in het primair onderwijs en 65 in het voortgezet onderwijs. In totaal gaan 100.000 leerlingen dagelijks in Amsterdam naar school. Het primair onderwijs is verdeeld over ongeveer 40 schoolbesturen. Het voortgezet onderwijs is verdeeld over achttien schoolbesturen en het voortgezet speciaal onderwijs over zeven besturen. Daarbinnen wordt het project Gezonde Schoolgebouwen Amsterdam gerealiseerd. In de coalitieperiode van 2015-2018 worden in totaal 111 onderwijsgebouwen in primair, speciaal en voortgezet (speciaal) onderwijs voorzien van een gezond binnenklimaat. Buro Loo begeleidde voor de gemeente een onderzoek naar het binnenklimaat in de scholen en kwam met aanbevelingen om de situatie te verbeteren.