Samenwerking én vernieuwing in het onderwijs

| Door IVVD

Meer dan tien jaar ervaring heeft Max Hoefeijzers met de doordecentralisatie van onderwijshuisvesting in en rond Breda. In zijn ogen is het dé manier om goed en efficiënt om te gaan met de sobere budgetten voor onderwijshuisvesting. Samenwerken is in zijn ogen de sleutel tot succes én de sleutel tot onderwijsvernieuwing.

Max Hoefeijzers is directeur bij Building Breda (VO). In 2012 richtte hij Hoefeijzers Advies op. Dit bureau levert proces- en projectmanagement voor strategische samenwerking tussen schoolbesturen, tussen gemeenten en schoolbesturen en fusies, krimp- en doordecentralisatie vraagstukken. Hij was voorzitter College van Bestuur van ROC Da Vinci College en voorzitter van het dagelijks bestuur bij Breedsaam (PO-SO).

Waarom is doordecentralisatie belangrijk?
‘Ik ben een enorme voorstander van collectiviteit en geloof erg in samenwerking. Dat komt het onderwijs ten goede. Bij concurrentie gaat het over leerlingenaantallen, bij competitie over de beste willen zijn. En daar moet het in het onderwijs over gaan. De doordecentralisatie zorgde er in Breda voor dat de schoolbesturen echt samenwerken. Ze kregen samen de volledige verantwoordelijkheid voor de onderwijshuisvesting. Daardoor ontstaat er een samenwerkingsmilieu waarin allerlei mooie zaken tot stand kunnen komen. Heel belangrijk in een tijd van onderwijsontwikkeling en onderwijsvernieuwing. Want de vraag waar het allemaal om draait is: wat hebben leerlingen in de 21ste eeuw voor onderwijs nodig? Hoe kunnen we kinderen een goede toekomst geven in een snel veranderende tijd? Dat moet je uitvinden. In de tijd van vóór de doordecentralisatie stonden de schoolbesturen in de concurrentiestand. Niemand durfde te bewegen uit concurrentieangst. De ontwikkeling van het onderwijs werd daardoor belemmerd.’

In 2008 gingen de Bredase schoolbesturen in het VO samenwerken in een coöperatie en in 2013 volgde het PO. Wat is er sindsdien allemaal gerealiseerd?
‘Als je kijkt naar het VO dan hebben we in ruim tien jaar tijd op één na alle schoolgebouwen vernieuwd met nieuwbouw of vernieuwbouw. Dan praat je over 14.000 leerlingen en meer dan tien gebouwen. De gemeente had dat nooit voor elkaar gekregen in dat tempo en met die omvang. Dat geven ze zelf ook ruimschoots toe. In de gemeentelijke atmosfeer kost de realisatie van een nieuw schoolgebouw al gauw vier tot vijf jaar en daarbij wordt het vaak een felle strijd tussen schoolbestuur en gemeente omdat er gewerkt wordt met sobere middelen.’

Maar de gemeente is en blijft toch verantwoordelijk voor onderwijsgebouwen?
‘De gemeente heeft inderdaad een zorgplicht voor de schoolgebouwen. We hebben heel duidelijk aangegeven wat de plannen van de coöperatie zijn en hoe we dat willen realiseren. Zo kregen we vóóraf groen licht van de gemeente voor onze plannen en kon de coöperatie meteen voortvarend aan de slag. Daarnaast is het heel belangrijk openheid van zaken aan de gemeente te geven, ook bij doordecentralisatie. Vandaar dat we twee keer per jaar met de wethouder om tafel gaan om alle actualiteiten, alle voorbereidingen van nieuwbouw en alle strubbelingen door te praten. De gemeente blijft zodoende goed op de hoogte en weet wat er gaande is.’

En zo kunnen er dus mooie, nieuwe ontwikkelingen ontstaan?
‘Zeker. Als je kijkt naar de latere doordecentralisatie bij het PO dan was de kinderopvang, waar de gemeente een andere verantwoordelijkheid voor heeft, een belangrijk punt. Want hoe realiseer je in de scholen kinderopvang als in de overeenkomst met de gemeente duidelijk staat vermeld dat iedere euro uitsluitend besteed mag worden aan vierkante meters voor het onderwijs? Daarvoor hebben we een concept uitgewerkt met een revolverend fonds, waar de gemeente eenmalig geld in heeft gestopt. Vervolgens hebben we in enkele basisscholen kinderopvangplekken gerealiseerd en met de inkomsten die daar door verhuur uit komen, kunnen we weer nieuwe kinderopvangplekken realiseren in andere basisscholen. Zodoende hoeft de gemeente simpel gesteld niet meer te investeren in de huisvesting van kinderopvang.’

Samenwerking is ook positief voor de onderwijsvernieuwing. Waar moeten we dan aan denken?
‘We moeten toe naar wat we in het onderwijs krachtig leren noemen. Intrinsieke motivatie is daarbij de sleutel. Deze intrinsieke motivatie neemt enorm toe als de leerling zelf zijn leertraject mede mag vormgeven. En daarbij moeten we de maatschappij bewust de school in halen en de school de maatschappij in sturen. We moeten in zekere zin geen scholen meer bouwen, maar community centers. Plekken waar onderwijs, ondernemers, het verenigingsleven en ouderen elkaar ontmoeten en versterken. Leren vanuit de praktijk en niet vanuit de theorie, daar moeten we volgens mij naar toe, maar de precieze uitwerking is nog een zoektocht.’

Praktijkgericht leren is dus beter voor de motivatie van leerlingen?
‘Dat denk ik zeker. Die visie komt heel sterk naar voren in het Leerpark Dordrecht waarvoor ik verantwoordelijk ben geweest. Dat leerpark, een gebouwde schoolomgeving waarin het bedrijfsleven ook aanwezig is, is in 2008 geopend en had als nadrukkelijk doel om het aantal vroegtijdige schoolverlaters in het MBO – dat rond de 50% lag – drastisch terug te dringen. Leraren moesten daar duidelijk iets anders gaan aanbieden, iets dat beter aansloot bij de wensen van de leerlingen. De grote vraag was: hoe krijg je ze gemotiveerd? Wij hebben gezegd: begin niet met de theorie, leg de boeken aan de kant en begin meteen met de praktijk. Laat de leerlingen bijvoorbeeld een echt raamkozijn maken of een echte dakkapel die ook echt op een huis geplaatst gaat worden. Dan gaan ze zich inzetten en zich uit zichzelf verdiepen in de theorie achter de praktijk. Want ze willen het wel goed doen. En het is gebleken dat het werkt, want de leerlingen gaan als de brandweer. Het aantal vroegtijdige schoolverlaters is dan ook drastisch gedaald.’

En zo gaan we richting het onderwijs van de 21ste eeuw?
‘Dat denk ik wel. We hebben allemaal zorgplicht voor de toekomst van de kinderen. De gemeenschap moet het besef krijgen dat iedereen daaraan moet bijdragen. Haal die dokter maar het schoolgebouw in en ook die architect. Laat de boer of de politieagent maar een gastles geven. Begin een kruidenierswinkel in de school die de leerlingen “runnen”. Zo zorg je dat er voortdurend activiteiten op school zijn en krijg je veel meer “leraren”. Kinderen kunnen zich zo via deze rolmodellen in de wereld inleven en al doende leren. Dat is onderwijs in de 21ste eeuw.’