Van EPC naar BENG, bouwen in 2020

| Door IVVD

Het energieverbruik in de gebouwde omgeving zal fors naar beneden moeten om de klimaatdoelstellingen te behalen. Een van de manieren die de overheid aangeeft is om de energieprestaties van gebouwen te verbeteren. Voor bestaande bouw geldt bijvoorbeeld de eis dat kantoren in 2023 in de regel een energielabel C zullen moeten hebben. Voor nieuwbouw golden al steeds strengere EPC-eisen maar binnenkort geldt BENG, de eis van Bijna EnergieNeutrale Gebouwen. Deze zomer zijn de definitieve BENG-eisen aan de Tweede Kamer toegezonden als onderdeel van een wijziging van het Bouwbesluit. De BENG-eisen zien toe op drie aspecten die ook de zogenaamde Trias Energetica vormen: het beperken van de energievraag, het gebruiken van hernieuwbare energie en tot slot het zo efficiënt mogelijk gebruiken van fossiele brandstoffen wanneer die tóch nodig zouden zijn.

Jesse Zijlma is advocaat bij BarentsKrans en hoofd van de sectie vastgoed. Gespecialiseerd in juridische aspecten van duurzame energie, van zonnepark tot verduurzaming van vastgoed.

Door het opsplitsen van de eisen met betrekking tot duurzaamheid in drie separate eisen in plaats van één (gesaldeerde) EPC-eis, wordt het ‘greenwashen’ van nieuwbouwprojecten lastiger. Waar het onder de EPC nog mogelijk en gebruikelijk is een hoge energievraag te compenseren met duurzame opwekking van elektriciteit of het toevoegen van een warmtepomp, is dat onder BENG niet meer mogelijk: het beperken van de energievraag is het uitgangspunt. Ook de energiemaatregel op gebiedsniveau vervalt, waardoor het bereiken van een lagere EPC door voorzieningen in de omgeving mee te tellen in de EPC-berekening niet meer is toegestaan. Tot nog toe kan dat bijvoorbeeld met warmtenetten, maar ook met ‘zon-op-afstand’, zelfs als een directe, fysieke koppeling ontbreekt. Deze manier van het verbeteren van de energieprestatie van een gebouw zag ik de afgelopen tijd in populariteit toenemen, ook in aanbestedingen van het Rijksvastgoedbedrijf, zoals voor het Herman Gorter-complex te Utrecht: indien op het gebouw onvoldoende ruimte beschikbaar zou zijn voor duurzame energieopwekking, kon dat ook op afstand, maar altijd binnen een straal van 10 kilometer om het gebouw.

Deze ‘virtuele allocatie’ biedt ontegenzeggelijk voordelen voor ontwikkelaars: in plaats van de toepassing van (duurdere) efficiënte gebouwinstallaties of extra isolatie om het verbruik te drukken, kan namelijk eenvoudiger en goedkoper een zonneparkje of dakproject ontwikkeld of gecontracteerd worden. Nadeel is evenwel dat maatregelen om het energieverbruik terug te dringen daardoor achterwege bleven. Daarnaast bestaat het risico dat zo’n zonneparkje na afloop van het allocatiecontract wordt gebruikt om een nieuw gebouw te dienen. Vanaf 2021 is deze energiemaatregel op gebiedsniveau alleen mogelijk als een directe en fysieke koppeling aanwezig is, zon-op-afstand lijkt daarmee af te vallen, tenzij een fysieke koppeling gerealiseerd kan worden, maar dat zal in de praktijk uitzonderlijk zijn.

De mogelijkheden om een gebouw (alleen) op papier energiezuiniger te maken namen dus af, maar tot tevredenheid stemt BENG nog niet. Sterker nog, bijna niemand lijkt er blij mee: de ene groep vindt het niet ambitieus genoeg, terwijl de andere groep vreest voor onbetaalbare en ongezonde woningen. De waarheid zal wel ergens in het midden liggen, maar de wijziging van de methodiek van EPC naar BENG is wel een flinke stap in de goede richting. Het niveau van een BENG-eis wijzigen is namelijk makkelijker dan het wijzigen van het systeem. Het toevoegen van eisen voor circulair bouwen, het verscherpen van de BENG-eisen en vergroten van het aandeel duurzame energie in de energiemix… er is nog werk aan de winkel.