Warmtewet – een hot topic

| Door IVVD

Op 6 maart 2018 werd door de Tweede Kamer het wetsvoorstel Herziening Warmtewet aangenomen. Een noodzakelijke (tussen)stap naar een goede en toekomstbestendige regulering van de warmtemarkt. De Warmtewet was aanvankelijk bedoeld om stadsverwarmingsnetten te reguleren, maar VvE’s met een collectieve ketel, WKO’s en bronwarmtenetten bleken vervolgens ook onder de reikwijdte te vallen. Ook de volstrekt niet goed doordachte samenloop met het huurrecht leidde tot veel kritiek. Na ‘informele aanpassingen’ komt er nu een echte wijziging, hoewel zeker niet de laatste. De Warmtewet 2.0 is al aangekondigd.

Jesse Zijlma is advocaat bij BarentsKrans en hoofd van de sectie vastgoed. Gespecialiseerd in juridische aspecten van duurzame energie, van zonnepark tot verduurzaming van vastgoed.

De meeste wijzigingen van het wetsvoorstel zijn per 1 juli 2019 van kracht. Belangrijkste aanpassing is dat een verhuurder die ook warmte levert aan zijn huurders niet langer onder de Warmtewet valt, maar alleen onder het huurrecht. Dat betekent: een aparte leveringsovereenkomst, geen maximumprijs en geen compensatieregeling. Afrekening kan weer gewoon, net als voor 2014, via ‘de servicekosten’ of inmiddels de nutsvoorzieningen met een individuele meter. Dus tegen ‘redelijke kosten’, waarbij toetsing kan plaatsvinden door de huurcommissie.

Toch zijn er bij wetswijzigingen altijd een aantal bananenschillen. Zo heeft de wijziging in beginsel geen invloed op lopende contracten. Is dus met een huurder een aparte leveringsovereenkomst afgesloten, dan blijft deze bestaan. De suggestie van de minister van EZK is om deze overeenkomsten ‘in overleg’ te beëindigen, maar het is ernstig de vraag waarom een huurder daarmee zou instemmen. Met name voor storingsgevoelige installaties is de compensatieregeling immers aan de royale kant. Nu wordt die regeling ook versoberd, maar of die aanpassing doorwerkt in bestaande contracten hangt weer af van het contract.
Ten tweede is het de vraag of een verhuurder met een aparte Energie BV ook van de nieuwe regeling gebruik kan maken. De wet zegt er niets over, maar Aedes is vrij stellig: ja, dat kan. Ook uit uitlatingen van de minister valt dit af te leiden. De vraag is echter of dat juist is: de minister lijkt er namelijk vanuit te gaan dat de Energie BV slechts ‘beheerder’ is van de installatie, maar niet de leverancier, zodat de corporatie zelf verantwoordelijk blijft voor de warmtelevering. Veel vaker, zo niet altijd, is de Energie BV echter zelf de leverancier. Deze leverancier is niet gebonden aan het huurrecht en blijft dus naar mijn mening gewoon onder de Warmtewet vallen. Ook dat noopt dus tot het maken van nieuwe afspraken, waarbij de Energie BV, opgericht vanwege de inwerkingtreding van de Warmtewet, nu waarschijnlijk weer beter zou kunnen verdwijnen.

Voor leveranciers die onder de Warmtewet blijven vallen verandert ook het een en ander. Zo wordt de compensatieregeling beperkt en wordt de maximumprijs gedifferentieerd, waarbij hoogwaardige warmte een hogere maximumprijs krijgt dan laagwaardige warmte (zoals bij bronwarmte, waarbij de temperatuur veelal 11-12 graden Celsius is en de warmte via een individuele warmtepomp/booster wordt geüpgraded. Voorlopig blijft de warmteprijs nog wel gekoppeld aan de gasprijs, maar met die differentiatie wordt bereikt dat kosten die de verbruiker zelf moet maken, zoals voor elektriciteit van zijn warmtepomp, ook in de prijs betrokken worden. Die laatste aanpassing gaat echter pas per 1 januari 2020 in.

Benieuwd naar de overige wijzigingen? Bekijk de onderstaande workshop over dit onderwerp.

Herziening Warmtewet