Wie de geschiedenis kent, kan de toekomst voorspellen

| Door Dieuwke van Vuure

Rekenen met restwaarde moet gemeengoed worden. Zeker met het oog op een circulaire economie in 2050. Maar zodra het begrip circulaire restwaarde wordt aangehaald, schieten mensen in een kramp. ‘We nemen hiermee een voorschot op de toekomst’, stellen zij. En dus komt rekenen met restwaarde moeilijk van de grond. Ik zeg: niet rekenen met restwaarde betekent een nog veel groter voorschot nemen op die toekomst. We missen daardoor mooie kansen, betalen onderaan de streep meer en verbruiken meer materialen.

Jan Willem van Kasteel, senior adviseur ICSadviseurs

In essentie gaat het bij circulair bouwen om het sluiten van de kringloop. Circulair materiaal heeft aan het eind van de levensduur nog een waarde, zowel milieutechnisch als financieel. Door langdurig gebruik te blijven maken van grondstoffen, putten we de aarde minder uit. Er is dan minder vervuiling door het storten van afval en minder CO2-uitstoot, omdat er minder nieuwe materialen gemaakt worden.

Een win-winsituatie, zou je zeggen. Hiermee kunnen we beter vandaag beginnen, dan morgen. Struikelblok is echter dat het bestaande vastgoedrekenen hier helemaal niet op ingericht is. Zeker niet bij maatschappelijk vastgoed. In 40 jaar worden gebouwen afgeschreven naar nul. De materialen worden hiermee bestempeld als waardeloos. En daarmee maken we een cruciale rekenfout.

Hergebruik in optima forma

Met een 100% circulaire economie in het vooruitzicht, kan het niet anders dan dat bestaande, her te gebruiken, materialen wél van waarde zijn. Ook financieel. Dat brengt me bij de uitdrukking: “wie de geschiedenis kent, kan de toekomst voorspellen”. Zo vertelde een archeoloog op Sicilië onlangs over hergebruik van materialen door de eeuwen heen. Kort samengevat: men bouwde 2000 jaar geleden met materialen die voorhanden waren. Veelal materialen die uit te slopen gebouwen kwamen. Ze bouwden vervolgens op de funderingen van eerdere gebouwen. Hergebruik in optima forma.

Okay, men had in die tijd door de inzet van slaven weinig arbeidskosten, maar er werd wel gewerkt vanuit wat beschikbaar was. De analogie naar het heden: als we in de toekomst willen werken met schaarse materialen, dan zullen ook wij de arbeidskosten moeten minimaliseren. Dat kan door eenvoudige demontage mogelijk te maken van hele gebouwelementen. Hiermee besparen we niet enkel op arbeidskosten, maar verhogen we tevens de restwaarde van deze materialen.

Geschatte restwaarde en toekomstige kosten

Een aspect dat rekenen met restwaarde extra interessant maakt, is de indexatie van materiaalprijzen. Die wordt nu (nog) niet meegenomen, maar dat zou wel kunnen én moeten. Want of je nu hergebruikt of verkoopt aan het einde van de levensduur, de prijs van het materiaal op dat moment is zeer relevant. We moeten dus niet kijken naar de huidige prijs van de materialen, maar naar de geschatte toekomstige prijs. Die is redelijkerwijs te voorspellen op basis van trends uit de afgelopen decennia. Nemen we hierin ook de aankomende wet- en regelgeving mee rondom de CO2-heffing van nieuwe materialen, dan komen we tot heel andere rekensommen.

Kortom, door te rekenen met restwaarde, realiseren we lagere jaarlasten. Hiermee kunnen we de (nu nog) beperkte meerkosten voor duurzame en losmaakbare materialen financieren. Bovendien spelen we budget vrij voor de maatregelen die nodig zijn voor de energietransitie. Dus: laten we leren van de geschiedenis en samen bouwen aan een duurzame toekomst.


 

Jan Willem van Kasteel verzorgt, samen met Chris de Ruiter en Bram Treffers, de training Rekenen aan duurzaam vastgoed.