Een goede, fijne leeromgeving ontstaat niet vanzelf. Dat vraagt om een goed ontwerp en een integrale visie op de positie van de school in de wijk. Maar wat zijn nu precies die ‘bouwstenen’ voor een inspirerende leeromgeving? En hoe ontstaan scholen die duurzaam en natuurlijk veranderbaar zijn? Schooldomein ging hierover in debat met architecten en opdrachtgevers. Dit tijdens de boekpresentatie van het nieuwe inspiratieboek ‘Hoofd, Hart en Handen’ in Amersfoort.
Tekst: Ivo van der Hoeven
In de gymzaal van vmbo-school Het Element in Amersfoort hebben op 13 februari een kleine honderd experts in scholenbouw zich verzameld voor de uitreiking van het eerste exemplaar van het nieuwe inspiratieboek van Schooldomein op het symposium Hoofd, Hart en Handen. Naast de presentatie van het boek ‘Hoofd, Hart en Handen - fijne plekken voor gebruikers’, wordt deze middag afgetrapt met een debat over het belang van fijne onderwijsplekken en de weg daarnaartoe. Op het podium Koen Janssen, directeur van Het Element, André van der Slik, architect bij De Zwarte Hond, Jolijn Valk, directeur en architect bij Urban Echoes en Yvonne van Zijl, conrector beheer & organisatie aan het Lorentz Casimir Lyceum in Eindhoven.
Het is niet toevallig dat André bij het debat is aangesloten. Hij is als architect nauw betrokken geweest bij het ontwerp van vmbo-school Het Element. Aan hem wordt de eerste stelling voorgelegd: ‘elk goed schoolgebouw begint met nadenken over de plek’. André is het daar volmondig mee eens: “We kijken bij De Zwarte Hond altijd vanuit de stedenbouw naar de bewuste plek voor een nieuw schoolgebouw. Een school is immers meer dan een school; een goed schoolgebouw heeft betekenis voor de omgeving.
Zo kunnen leerlingen die een horeca-opleiding volgen in de zomer bijvoorbeeld een terras bestieren. Automotive-leerlingen kunnen een garage draaiende houden. Zo maak je vanuit de opleidingen verbindingen met de buurt.” Om tot een definitief ontwerp te komen is in Amersfoort een intensief traject gevolgd, verduidelijkt Koen: “We hebben dertig medewerkers mee laten denken over hoe het gebouw aan zou moeten sluiten op het onderwijs dat wij willen geven. We hebben daarbij het geluk gehad dat de gemeente Amersfoort het beroepsonderwijs een mooie en zichtbare plek wil geven in de stad. En dat ze daar ook budget voor beschikbaar stelt. We zijn in Amersfoort doorgecentraliseerd qua gelden. Dat geeft meer bewegingsruimte om tot mooie, inspirerende leeromgevingen te komen. En dat heeft zich hier duidelijk uitbetaald.”
Het Element legt met haar opleidingen overduidelijk die verbinding met de buurt. Dat brengt ons bij de tweede stelling: ‘een goede onderwijsvisie verbindt met de omgeving’.
Dat hebben we heel bewust in het ontwerp van de school meegenomen. Overal in de school kun je naar buiten kijken en ervaar je de natuur om de school heen. We zien niets anders dan bomen en natuur. Dat geeft rust en dat straalt af op de leerlingen in het gebouw. Het omringende terrein is inmiddels klaar en ingericht met paden en wandelpaden met overal bankjes en andere zitelementen. We zijn heel benieuwd hoe de leerlingen hier in het voorjaar gebruik van gaan maken tijdens de pauzes. We hebben zelfs een buitenruimte gerealiseerd waar docenten straks les kunnen geven.”
De reuring en ruis zijn te vinden in de centrale hal en op de tribunetrap. De rust vinden leerlingen op allerlei intieme plekken in het gebouw waar ze zich even terug kunnen trekken. Zo kunnen jongeren die van de basisschool komen langzaam wennen aan hun nieuwe school en is er ruimte voor alle leerlingen, de introverte en de extraverte leerlingen.”
Het Lorentz Casimir Lyceum heeft in tegenstelling tot Het Element nog een redelijk klassieke indeling. Yvonne: “Het Lorentz is een vrij klassieke school met leslokalen. Wel is ons onderwijs geclusterd vanuit verschillende vakdomeinen. Door het gebouw heen, en verspreid over de verschillende domeinen, hebben we veel verschillende werkplekken waar leerlingen individueel of in projectvorm kunnen werken.” Scholen zoals het Lorentz worden nog voornamelijk ontworpen op het programma van eisen van de eerste groep gebruikers. Dat brengt ons bij de derde stelling: ‘we hebben te lang alleen maar functioneel naar de scholenopgave gekeken’. Dat is zeker waar, vindt Jolijn. “We moeten veel meer rekening houden met het gebruik in de toekomst. Maar dat is best lastig. We weten immers nog maar weinig over die toekomst. Het is daarom zaak om goed na te denken over ruimtegebruik in schoolgebouwen. Die ruimte moet dienend zijn aan verschillende invullingen. Het kan daarom verstandig zijn om die ruimte niet helemaal af te maken en plekken te creëren die tijdelijk ingevuld kunnen worden. Plekken die kunnen meebewegen met veranderingen in de tijd en veranderende visies op onderwijs.”
André sluit zich hierbij aan. “We moeten gebouwen ontwerpen die na 30 of 40 jaar leeg geveegd kunnen worden. Het casco blijft dan staan, maar krijgt een andere invulling met een nieuwe inbouw en nieuwe installaties. Zo hebben we ook Het Element ontworpen. In dit schoolgebouw kan over enkele decennia ook een andere functie worden ingepast. Vanuit De Zwarte Hond kijken we zo naar duurzame bouw. We ontwerpen heel bewust robuuste gebouwen waar je alle kanten mee op kunt. Dan heb je echt adaptieve gebouwen die misschien wel 100 of 150 jaar meegaan.” Zijn reactie krijgt bijval uit het publiek. Een goed architectonisch ontwerp vormt daarmee indirect een voorwaarde voor toekomstig hergebruik. Dat vraagt om gebouwen te ontwerpen die altijd aantrekkelijk blijven.
‘Gemeenten moeten meer integraal naar de huisvestingsopgave kijken’. André: “Die integrale visie is heel belangrijk. Maar als we adaptieve gebouwen willen realiseren, dan moeten deze gebouwen wel een bepaalde overmaat hebben. Gemeenten moeten bereid zijn om hier budget voor beschikbaar te stellen.” Daar ligt nog een behoorlijke uitdaging, denkt Koen. “De budgetten zijn over het algemeen niet ruim. Dan kun je in de onderliggende visie wel vastleggen dat je intensiever wilt samenwerken met zorg- en welzijnsinstellingen zoals bijvoorbeeld de GGZ. Je kunt aangeven dat hier speciale behandelruimtes voor ingetekend moeten worden. Maar als je daar vervolgens de financiën niet voor krijgt, dan blijft het bij goede intenties. Dan blijft het bij een utopische gedachte.” Toch ziet Jolijn wel kansen voor een meer integrale aanpak en meervoudig gebruik van ruimten bij de realisatie van onderwijsgebouwen. Zo was zij met Urban Echoes de architect van basisschool en kinderopvang De Knotwilg in Amsterdam. “Deze school is tot stand gekomen in zeer goede samenwerking met stadsdeel Zuidoost. Hier is juist heel bewust wél in overmaat geïnvesteerd. Dat zit zowel in de tussenruimtes, de free spaces, als in het dubbel ruimtegebruik van onderwijsruimtes. Bij het ontwerpen van die tussenruimtes is bovendien niet alles tot op de lijn gedefinieerd. Er is daardoor een bepaalde vrijheid in het gebruik van deze ruimtes. De school is hierdoor constant in beweging en heeft een belangrijke functie in de buurt. Zo worden de kas op het dak van de school en de gymzaal ook door de buurtbewoners gebruikt. De opdrachtgevers en het stadsdeel hebben deze extra’s doelbewust in de bekostiging meegenomen. Daardoor hebben we meer vierkante meters kunnen maken en een breder gedragen en flexibeler gebouw kunnen realiseren. Dat werkt heel goed op deze plek, en dat is een direct gevolg van die integrale visie vanuit de gemeente én de opdrachtgever in het ontwerpproces. Het kan dus wel.”