/ verbindend in maatschappelijk vastgoed
10 11 Technologie data Vastgoedsturing NR40 2026
Woningcorporaties Gemeenten
Artikel

Nog 330.000 gebouwen te gaan: data als motor voor verduurzaming

4 september 2026

Nederland moet vóór 2050 nog 330.000 utiliteitsgebouwen verduurzamen. De nieuwe Europese EPBD IV-richtlijn stimuleert een verschuiving naar prestatiegerichte monitoring met gebruik van werkelijke energiegegevens. Datagedreven verduurzaming maakt dit mogelijk, maar vraagt om betere standaardisatie en samenwerking in de keten. Dat vindt voorzitter Jaap Dijkgraaf van de Bouwdigitaliseringsraad. Hij schetst de kansen én obstakels.

Jaap dijkgraaf

Jaap Dijkgraaf, voorzitter van de Bouwdigitaliseringsraad

Begin juni was er in Zoetermeer een volgeboekt event over utiliteitsgebouwen (denk aan scholen, zorggebouwen, gemeentehuizen, sportaccommodaties). Tientallen professionals kwamen daar bijeen rond het thema ‘Het utiliteitsgebouw van morgen – Datagedreven verduurzamen richting emissievrije utiliteitsbouw in 2050’. Keynote-spreker Jaap Dijkgraaf trapte af met een helder betoog: verduurzaming moet niet langer op aannames rusten, maar op feiten.

‘Je gaat verduurzamingsbeslissingen baseren op objectieve inzichten die komen uit data, in plaats van op aannames, gemiddelden en losse momentopnames’, aldus Dijkgraaf. Door gebouwkenmerken, energiedata, sensorgegevens, onderhoudsinformatie en gebruiksgedrag te combineren, ontstaat een veel completer beeld van de werkelijke prestaties van een gebouw. Dat maakt gericht ingrijpen mogelijk.

Dichter bij de werkelijkheid 

De EPBD IV-richtlijn geeft die beweging een forse duw, al blijven energielabels gebaseerd op een gestandaardiseerde berekeningsmethode. Maar waar die labels nu vaak worden bepaald op basis van een eenmalige deskundige opname – bijvoorbeeld bij verkoop – stuurt de nieuwe richtlijn aan op beoordeling op basis van werkelijk energiegebruik. Permanent meten dus.

Quote icoon

Digital twins maken het mogelijk verduurzamingsscenario’s vooraf te toetsen

Dijkgraaf benadrukt dat dit geen kwestie is van strengere regels om het strenger maken: ‘Ik denk oprecht dat we dichter bij de werkelijkheid komen.’ Hij illustreert het met een voorbeeld uit zijn praktijk. ‘Daarin zie ik dat je toch wel vaak 20 tot 30 procent lagere vermogens gebruikt, omdat de bezetting gewoon niet gehaald wordt zoals die vroeger in de handboekjes geschreven stond.’ Destijds, stelt hij, ging er over alle gebouwen ‘een beetje dezelfde saus’. Nu kan het veel specifieker.

10 11 Technologie data Vastgoedsturing NR40 2026

Data genoeg, maar opgesloten in ‘silo’s’ 

Het gebrek aan data is niet het probleem. De meeste utiliteitsgebouwen beschikken al over een energie- en gebouwbeheersysteem dat grote hoeveelheden gegevens produceert. Het probleem zit in de ontsluiting ervan. Dijkgraaf somt de obstakels bondig op: twijfelachtige datakwaliteit – een slecht geijkte CO₂-sensor levert onbruikbare waarden –, data die opgesloten zit in ‘silo’s’ bij afzonderlijke partijen en een ‘gebrek aan standaardisatie: hoe is die data opgeslagen, hoe is die te ontsluiten?’ Interoperabiliteit (uitwisselbaarheid) is vaak niet goed geregeld, waardoor partijen elkaars data simpelweg niet kunnen inlezen.

Om die knoop te ontwarren, wordt vanuit de publiek-private samenwerking gewerkt aan het Digitaal Stelsel Gebouwde Omgeving (DSGO) en de GEBouwde Omgeving Referentie Architectuur (GEBORA). Het DSGO legt vast hoe partijen in de bouw- en vastgoedsector veilig en gestandaardiseerd data uitwisselen; GEBORA biedt de onderliggende referentiearchitectuur. Dijkgraaf zelf zet zich vanuit de Bouwdigitaliseringsraad in om de adoptie van beide te versnellen.

Niet alleen voor de grote spelers 

Een veelgehoorde zorg is dat datagedreven verduurzaming vooral weggelegd is voor grote vastgoedpartijen met diepe zakken. Dijkgraaf weerlegt dat. ‘Wij zitten zelf in een gebouw van zo’n vierduizend vierkante meter, veertig tot vijftig jaar oud, wel gerenoveerd. Daarvan hebben we toch keurig een digital twin (digitale replica van een pand waarop simulaties kunnen worden losgelaten, red.) gemaakt.’ De technologie is dezelfde, ongeacht de schaal; de sleutel ligt in het organiseren van data-uitwisseling in de keten.

Quote icoon

Technologie kan ons helpen om een stukje van die complexiteit te ontrafelen

Wel erkent hij dat grote partijen, samen met overheden en brancheorganisaties, het voortouw kunnen nemen bij het vaststellen van standaarden. Daar profiteren vervolgens de kleinere spelers van.

Digital twins en digitale collega’s De komende vijf jaar verwacht Dijkgraaf een ingrijpende verandering. Digital twins maken het mogelijk verduurzamingsscenario’s vooraf te toetsen. Gecombineerd met AI en zogenoemde ‘agents’ ontstaat een nieuw landschap. Dijkgraaf omschrijft agents als ‘digitale collega’s’: autonome programma’s die dagelijks zelfstandig gebouwdata opvragen, vergelijken met normen en pas alarm slaan bij afwijkingen. ‘Je praat letterlijk gewoon tegen je computer: geef mij de luchtinlaattemperaturen van de afgelopen week. En dan kun je vragen: is dit nou goed of fout?’

Ook voor onderhoud verandert het speelveld. Predictive maintenance vervangt vaste intervallen: een filter wordt pas vervangen wanneer data aangeeft dat het nodig is, en de storingsafhandeling wordt efficiënter wanneer het gebouw zelf kan melden wat er mis is.

Iedereen aan zet 

Dijkgraaf besluit met een oproep aan alle professionals in de utiliteitsbouw, van architect tot gebouweigenaar en van installateur tot taxateur: ‘In de bestuurskamer moet digitalisering bij de bovenste drie agendapunten staan. Want anders ga je echt iets missen.’ Hij raadt aan om over de grenzen van de eigen sector te kijken, omdat andere bedrijfstakken al veel verder zijn met digitalisering. 

De complexiteit van de opgave – wetgeving, klimaatadaptatie, gezondheid, verschuivende businesscases – is enorm, weet Dijkgraaf. Maar juist daarom biedt technologie volgens hem uitkomst: ‘Technologie kan ons helpen om een stukje van die complexiteit te ontrafelen. Maar intussen zullen we nog steeds gewoon als mensen de juiste afweging moeten blijven maken.’