Dorpshuizen vormen al decennialang het hart van veel gemeenschappen. Inmiddels zijn veel gebouwen verouderd, verandert het gebruik en is het lastig om vrijwilligers te vinden voor beheer en exploitatie. Tegelijkertijd groeit het maatschappelijk belang van laagdrempelige ontmoetingsplekken in een tijd waarin eenzaamheid en polarisatie toenemen. Hoe toekomstbestendig is de huidige beheervorm van het dorpshuis? En hoe behoud je de vrijwilligers die het dorpshuis draaiend houden?
Veel dorpshuizen worden beheerd door een stichting, bestaande uit vrijwilligers. Van Overmeeren: ‘De afstand tussen de gemeente en het dorpshuis is daardoor groot en de informatie beperkt. Inzicht in gebruik en wie daadwerkelijk wordt bereikt ontbreekt regelmatig. Zonder deze informatie is het lastig om de maatschappelijke waarde inzichtelijk te maken. We adviseren daarom om ontwikkelingen in het gebruik en bereik van de doelgroepen te monitoren.’
Vrijwilligers én professionals
‘Het ontwikkelen van een inclusieve programmering vraagt een zekere mate van professionaliteit en expertise. Dat begint met het bepalen wíe je daadwerkelijk wilt bereiken en waarom. Pas dan kun je activiteiten aanbieden die aansluiten bij die doelgroep, om zo de bezettingsgraad - en daarmee de maatschappelijke waarde - te verhogen’, meent Komduur. ‘Als gemeente kun je de beheerstichting vragen dit op te pakken. Maar het vraagt om expertise die niet altijd in de bestaande stichting aanwezig is. Tegelijkertijd wil je de bestaande vrijwilligers behouden en waarderen. De oplossing ligt in slimme combinaties van professionals en vrijwilligers’, vervolgt Van Overmeeren.
Komduur: ‘Welke opdracht geeft een stichting zichzelf? Past ze “op de winkel” of brengt ze activiteiten tot stand, om zo “de onbereikbare” doelgroepen te bereiken? Als gemeente ben je afhankelijk van de ambitie, capaciteit en expertise van de vrijwilligers. Je kunt als gemeente de kaders bepalen en in gesprek gaan met de stichting om samen te bepalen wat de opdracht wordt. Het is ook interessant om te kijken hoe je een stichting kunt ontlasten, bijvoorbeeld door te faciliteren op onderdelen waar kennis, expertise of plezier mist.’ Van Overmeeren: ‘Hoe dat er precies uitziet, is altijd maatwerk. Belangrijk is om realistisch te zijn en bijvoorbeeld een bepaalde mate van leegstand in de programmering te accepteren, in het belang van de gemeenschap.’
Regie of afstand?
Veel gemeenten kiezen bewust voor afstand: ‘het is aan de samenleving om invulling te geven aan het dorpshuis’. Maar wanneer het mis dreigt te gaan - financieel of organisatorisch - komt de verantwoordelijkheid alsnog bij de gemeente terecht.
Komduur: ‘De toekomstbestendigheid van een dorpshuis en het succes van een stichting hangt samen met de samenstelling ervan. Het luistert nauw om een goede groep vrijwilligers bij elkaar te krijgen die qua expertise en achtergrond complementair zijn aan elkaar. Dat kun je niet alleen aan de gemeenschap overlaten; dan is het risico op uitsluiting te groot. Ik ben voorstander van een gemeente die een regierol pakt op maatschappelijke vraagstukken. Zonder af te doen aan de ambitie van de vrijwilligers.’
Samen sturen op maatschappelijke waarde
Beheer en exploitatie van maatschappelijk vastgoed gaat om maatschappelijke waarde: ontmoeting, inclusie, leefbaarheid en het tegengaan van eenzaamheid. ‘Wil je als gemeente een toekomstbestendige ontmoetingsplek bieden, dan vraagt dat om een goede samenwerking tussen de gemeente en het vrijwillige stichtingsbestuur, waarbij je als gemeente de stichting faciliteert om ambities te realiseren en waar nodig ondersteunt in schaalvergroting en professionalisering. Koester de vrijwilligers, geef hun de ruimte. En wees bereid een regierol te pakken om écht waarde toe te voegen aan maatschappelijk vastgoed’, besluit Komduur.