Het Coalitieakkoord van D66, CDA en VVD beoogt verschuiving van intramurale ouderenzorg naar zorgzame buurten en gemeenschapsontwikkeling. Een realistische en wenselijke ontwikkeling. Weg van de naar binnen gerichte, geïsoleerde verpleeghuizen naar meer verbinding met het gewone leven. We weten immers allemaal dat mensen langer zelfstandig blijven als ze fysiek en sociaal actief zijn. Goed dus dat er hard gewerkt wordt aan die beweging en bijpassende regelgeving. Samenwerking in de wijk komt zo op gang en gemeenschappen worden gemobiliseerd. Maar dit is slechts een deel van het verhaal.
Het oplossend vermogen van de gemeenschap voor de opgave in wonen en zorg lijkt steeds groter te worden. De leegstand in verpleeghuizen bewijst immers dat mensen er niet meer willen wonen. We komen premissen tegen als “Wat als de buurt zorgvastgoed overbodig maakt?” Het lijkt erop dat beleidsmakers, adviseurs, bestuurders en vastgoedondernemers de gemeenschap zien als enige en complete oplossing voor de opgave die er ligt. Als de buurvrouw een pannetje soep brengt en de buurman de boodschappen doet, dan hebben we de zorgvraag al voor een groot deel opgelost, denken zij.
Deze hoge verwachtingen zijn niet realistisch, te zwart-wit en deels gebaseerd op wensdenken. Om Pieter Hilhorst te citeren: ‘Hoe groter de vrees dat de zorg tekort schiet, hoe hoger de verwachtingen zijn dat de gemeenschap dit oplost’. Natuurlijk zijn er veel mooie voorbeelden hoe de gemeenschap kan bijdragen aan de zorg. Gelukkig wel. Maar het automatisme waarmee naar de gemeenschap wordt gekeken is te gemakkelijk. Dit zijn mijn bezwaren.
Gastcolumn | Arnout Siegelaar, Vastgoedexpert voor de zorg en promovendus aan het UMCG/ HanzeHogeschool