Wie op zoek gaat naar oplossingsrichtingen voor een duurzamer Nederland zal in zijn zoektocht op het spoor komen van sociaal econoom Paul Schenderling. De laatste jaren verschenen er onder zijn regie veel artikelen, verschillende podcasts en het boek ‘Er is leven na de groei’. Wat kunnen de ideeën van Paul Schenderling betekenen voor de bouwopgave en die van voorzieningen voor onderwijs, sport en kinderopvang in het bijzonder?
Tekst: Marco van Zandwijk
Paul Schenderling is een veelgevraagd spreker. Zijn in 2022 verschenen boek ‘Er is leven na de groei’ doet concrete verbetervoorstellen voor de inrichting van de economie, de sociale zekerheid, de landbouw, de zorg en mobiliteit. De voorstellen uit het boek gaan in op de impact van de Westerse welvaartsgroei en het beslag dat deze groei legt op de schaarste aan grondstoffen en de kwaliteit van ons leefmilieu. De koppeling naar de gebouwde omgeving is zo gemaakt.
Paul Schenderling - Foto: Jaap Schuurman
Draagkracht van de aarde
De visie van het schrijverscollectief rondom Paul Schenderling is gebaseerd op postgroei denken. Postgroei is een sociaal economische beweging waarin het draait om het verleggen van de focus van kwantitatieve groei naar kwalitatieve groei. Niet de consumptie maar brede welvaart staan in dit denken centraal. Als het aan Paul ligt moeten ook investeringen in het maatschappelijk vastgoed gedaan worden binnen de draagkracht van de aarde.
Groene groei
“Het huidige regeerakkoord gaat uit van groene groei denken. Het verleden heeft geleerd dat dit ineffectief en inefficiënt is gebleken,” legt Paul uit. “Groene groei, waarbij vergroening en groei van economie verenigbaar worden geacht is wensdenken. Groene groei maakt bestaande problemen juist groter, omdat het de vraag naar materialen verder doet toenemen.” Als voorbeeld noemt Paul de energietransitie. Deze zal de vraag naar zeldzame mineralen de komende twintig jaar fors doen laten toenemen. Hij verwijst daarbij naar een rapport van het Internationaal Energie-Agentschap (IEA) uit 2021. Dat rapport maakt de inschatting dat het reëel is om rekening te houden met een stijging van 2.000 tot 4.000%.
Koolstof- en materiaalbudget
Een verminderde economische beschikbaarheid van bouwmaterialen zorgt er voor dat er bij bouw- projecten niet alleen gestuurd kan blijven worden op financieel budget. “Materiaal- en koolstof budget zullen mee gaan wegen. En dat kan wel eens sneller gaan dan wij nu denken,” aldus Paul. “Beleggers, vastgoedontwikkelaars en opdrachtgevers rekenen steeds vaker met de echte prijzen voor het gebruik van materialen en nemen dit mee in hun businesscase. Net als een financieel budget is dit ook goed in aanbestedingen mee te nemen. Zoals een financieel budget grenzen stelt aan uitgaven, stelt een CO2-budget een maximum aan de uitstoot van CO2 om onder de afgesproken temperatuurstijging te blijven. Een CO2-budget geeft zodoende grip op de uitstoot van broeikasgassen.”
"Iedere bouwopgave is een kans om te bouwen aan sterke gemeenschappen"
Levensduurdenken
“Om binnen planetaire grenzen te blijven is het essentieel dat investeringen plaatsvinden vanuit levensduur denken. Een langere levensduur van producten en gebouwen draagt positief bij aan het verlagen van de milieu impact. Op dit moment bestaat de totale milieu impact van de gebouwde omgeving voor meer dan de helft uit het bouwproces en minder dan de helft uit de energiekosten in gebruik. Grootste milieuwinst is dan ook te halen in het bouwproces zelf. Dat vraagt om gebouwen en een onderliggende businesscase die ontworpen zijn vanuit die langere levensduur en een maximale herbruikbaarheid. De sleutel tot een lage milieu-impact komt daarmee in de ontwerp- en financieringsfase te liggen. Daar wordt immers de basis voor te gebruiken materialen en de uitstoot als gevolg van de materiaal gebonden emissies bepaald.”
Ontwerpen vanuit herbruikbaarheid
“Naast een gerichte keuze van bouwmaterialen, is inpandige gebouwflexibiliteit een essentiële randvoorwaarde om de milieu impact te verlagen. We weten vrijwel zeker dat het gebouw in de komende veertig jaar van functie zal veranderen. Daar dient het gebouw op te kunnen anticiperen."
Als voorbeeld noemt Paul het gerenoveerde stadhuis Hengelo. Het monumentale jaren 60 rijksmonument is door EGM architecten en HVE architecten van binnenuit vernieuwd. Er is 400 m² aan plaatmateriaal uit de oorspronkelijke huisvesting hergebruikt in nieuwe kasten en flexibele tussenwanden.
Ook is de ruimte in het pand efficiënter benut waardoor er extra functies, waaronder een bedrijfsrestaurant, fractiekamers en een politiek café, konden worden toegevoegd.
Ruimte voor innovatie
Een veelgehoord criterium vanuit marktpartijen is dat er meer volume nodig is om te kunnen innoveren. Dat schaal een voorwaarde is om te kunnen innoveren is volgens Paul een misvatting. “Uit wetenschappelijke literatuur over innovatie blijkt dat niet de schaal maar nabijheid en menselijk contact zorgen voor kennisontwikkeling en kennisdeling. Organisaties of bedrijven innoveren daarbij niet vanzelf. Het zijn echt de mensen die het doen. Bij deze mensen ligt dan ook de start voor iedere verandering en transitie. Schaal kan wel zorgen voor kostprijsreductie. Vaste kosten kunnen dan worden verdeeld over meerdere projecten.”
Samen slimmer aanbesteden
“Vanuit postgroei optiek mag volume en schaalvergroting ook nooit een doel op zich zijn. Wel zou er bij aanbestedingen vanuit de overheid nog waarde te halen zijn uit het meer samen optrekken en het bundelen van krachten. Wanneer je als collectief anders gaat uitvragen in het proces van aanbesteden zal dat vrij snel leiden tot een aanpassing in de markt.” Als voorbeeld noemt Paul het meer gaan bouwen met natuurlijke bouwmaterialen. “Als lagere overheden samen in hun aanbestedingen om meer natuurlijke bouwmaterialen gaan vragen ontstaat daarmee een schaalsprong die voldoende van omvang is om de kostprijs van die materialen aanzienlijk te laten dalen.”
Paul Schenderling (1988) is econoom, schrijver en spreker. Hij adviseert, schrijft en spreekt over sociale en ecologische vraagstukken vanuit een economische invalshoek. Zijn doel is een gelukkiger Nederland dat binnen de draagkracht van de aarde leeft. Paul werkte als senior adviseur bij Berenschot en is oprichter en programmaleider van Postgroei Nederland. Namens deze denktank schreef hij het boek ‘Er is leven na de groei’. Ook runt hij Sufficiency: een centrum voor onderzoek en advies rondom brede welvaart.
Bouwen aan gemeenschappen
“Veel huidig beleid richt zich daarbij nog vooral op de bouwbedrijven. Op de productiekant van de economie. Nodig is ook meer te kijken naar de vraagkant, de schaal waarop het beleid en het lokale besluitvormingsproces is ingericht. Hier is een grote rol weggelegd voor maatschappelijke initiatieven. Om dit te bereiken is eigenlijk een omgekeerde beleidskolom nodig. Dat is er één die sterk aansluit op sociale netwerken in een buurt, wijk of stad. Scholen en sportverenigingen vormen van oudsher al sterke sociale netwerken. Lokaal beleid, als ook het maatschappelijk vastgoed, zou dienstbaar moeten zijn aan deze sociale netwerken. Iedere bouwopgave is daarmee een kans om te bouwen aan sterke gemeenschappen.” Aardig voorbeeld om te noemen is het in 2022 door de koning geopende ‘MFA de Beuk’ in de gemeente Hardenberg. Een MFA waarin de gemeenschap ook zelf een deel van de benodigde financiën via fondsenwerving bij elkaar spaarde en waar 160 vrijwilligers betrokken waren bij de afbouw.
Beter benutten van ruimte
“Voor een beter gebruik van het vastgoed is het ook zinvol verbinding te leggen met andere beleidsterreinen.” Paul denkt dan specifiek aan activiteiten binnen het sociaal domein. “Binnen het sociaal domein van gemeenten is er de laatste tien jaar veel gewerkt aan onderlinge samenhang in beleid. De volgende stap is om nu ook verbinding te gaan maken met het fysieke domein. Vanaf het eerste moment van de ruimtevraag kan er gezocht worden naar dwarsverbanden en raakvlakken met het sociaal domein en daarbuiten. Dit vraagt om meer opgave gericht werken en directe samenwerking tussen specialisten van verschillende beleidsterreinen. Investeringen in het maatschappelijk vastgoed kunnen op deze manier ook de sociale infrastructuur van een stad of dorp versterken. Vanuit ecologisch, sociaal en economisch punt een win-win voor alle partijen.”
Publiek collectieve samenwerking
Gevraagd naar toekomstbestendige organisatievormen, is het duidelijk dat Paul voorstander is van beleid dat inzet op meer mogelijkheden tot delen en samenwerken in coöperatieve vormen. “Vormen van publiek-collectieve samenwerking hebben de toekomst, zeker zodra deze aanspraak kunnen maken op beschikbare zorg-, onderwijs- en kinderopvanggelden.” Paul zegt daarover: “Als tegenhanger van de publiek-private samenwerking kan de overheid zelf actief ruimte scheppen voor vormen met een meer gemeenschappelijk eigenaarschap. Passend daarin is een ontwikkeling als die van ‘De Twentsche school’ van de Twentse schoolbesturen Symbio en Brigantijn. Onder de vleugels van een scholenbouwvereniging denken zij hun bouwconcept verder door te kunnen ontwikkelen.”
De Twentsche School - De Vonder, locatie De Horsten in Borne - Foto: Stichting Brigantijn | Hengelo
Maatschappelijke winst
“Het zijn juist de coöperaties en verenigingen, die in de praktijk goed in staat blijken om voorzieningen als die voor onderwijs, zorg en kinderopvang kleinschalig te organiseren. Deze organisatievormen zijn gebaseerd op natuurlijke inspraak en houden meer rekening met de menselijke maat,” legt Paul uit. Het sluit naadloos aan bij zijn idee dat de overheid naast het delen van spullen ook coöperatieve organisatievormen voor huisvesting zou moeten willen stimuleren. “Naast de milieuwinst als gevolg van gedeeld ruimtegebruik is ook de maatschappelijke winst groot. Het is aannemelijk dat dit gaat leiden tot plekken en gelegenheden waar mensen graag komen en elkaar ontmoeten, wat weer een positief effect heeft op het voorkomen van eenzaamheid. Vormen van onderlinge zorgzaamheid die lange tijd onzichtbaar waren in de samenleving kunnen zo weer tot bloei komen. Ecologie, sociologie en economie vallen hiermee mooi samen.”