De opgave begint bij kinderen. Kinderen groeien op in een omgeving waarin onderwijs, kinderopvang, jeugdhulp, welzijn, sport, cultuur, bibliotheken, ouders en de wijk ieder een eigen bijdrage leveren. Hoe beter deze partners samenwerken, hoe groter de kans dat kinderen zich veilig kunnen ontwikkelen en ondersteuning krijgen wanneer dat nodig is. Een kindcentrum vormt steeds vaker de fysieke basis voor die samenwerking.
We realiseren steeds vaker kindcentra waar maatschappelijke partners elkaar ontmoeten en versterken. Het gebouw biedt ruimte aan samenwerking en draagt daarmee bij aan publieke waarde. Kinderen krijgen betere ontwikkelkansen, de kansengelijkheid neemt toe, professionals kunnen eerder samenwerken en signaleren en wijken worden sterker. De maatschappelijke betekenis van vastgoed reikt daarmee veel verder dan de muren van het gebouw.
Het huidige stelsel is vooral ingericht op de huisvesting van afzonderlijke onderwijsvoorzieningen. Zodra meerdere maatschappelijke partners één gebouw gebruiken, ontstaan vragen over eigendom, beheer, financiering, exploitatie en wet- en regelgeving. Dat vraagt om een verdere modernisering van het stelsel en om goede samenwerking tussen alle betrokken partijen.
De vastgoedopgave groeit. De komende jaren vernieuwen we een groot deel van de naoorlogse onderwijsvoorraad. We bouwen voor nieuwe woonwijken en realiseren gebouwen die gezond, flexibel, duurzaam, circulair en klimaatadaptief zijn. Daar komen uitdagingen als netcongestie, stikstof en personeelstekorten bij. De omvang van deze opgave vraagt om een manier van werken die net zo toekomstbestendig is als de gebouwen die we realiseren.
Daarom geloof ik in de landelijke programmatische aanpak. Die aanpak verbindt visie, planvorming, ontwerp, investering, realisatie, beheer en exploitatie. Gemeenten, schoolbesturen, maatschappelijke organisaties en marktpartijen trekken daarin gezamenlijk op, delen kennis en passen standaardisatie toe waar dat helpt. Zo ontstaat samenhang tussen maatschappelijke ambities en de gebouwen die daarvoor nodig zijn.
Dat vraagt iets van ons allemaal. Van gemeenten, schoolbesturen, maatschappelijke organisaties, ontwerpers, bouwers en het Rijk. Alleen in samenwerking kunnen we deze transformatie succesvol vormgeven. En daar hoort ook een bredere manier van kijken naar investeringen bij.
Financiën blijven vanzelfsprekend belangrijk. Zowel gemeenten als maatschappelijke organisaties ervaren schaarste aan middelen voor de huisvesting van kindvoorzieningen. Dat vraagt om realisme over de financiële opgave, bestuurlijke samenwerking en langjarige investeringen.
In het gesprek over onderwijshuisvesting moeten we echter ook de maatschappelijke opbrengst nadrukkelijk meewegen. De gebouwen die wij vandaag realiseren, maken tientallen jaren deel uit van het leven van kinderen. Iedere investering werkt daarom generaties lang door.
Laten we kindcentra blijven ontwikkelen vanuit de publieke waarde die we samen willen creëren voor kinderen, gezinnen en wijken. Dat vraagt om realisme, slimme samenwerking en de bereidheid om verder te kijken dan de investering van vandaag. Zo bouwen we niet alleen aan toekomstbestendige gebouwen, maar ook aan een samenleving waarin ieder kind de ruimte krijgt om zich optimaal te ontwikkelen.