De druk op de ruimte neemt toe in Nederland en daarmee ook de druk op de ruimte voor bewegen, sporten en spelen. Om toch voldoende en geschikte ruimte voor sport en bewegen te realiseren, ontwikkelt het Mulier Instituut samen met het RIVM een nationale richtlijn voor sportruimte. Deze richtlijn biedt gemeenten een handvat voor ruimtelijke planning en ruimtelijke keuzes.
Sturing op beleid
Nog dit jaar presenteren het Mulier Instituut en het RIVM een advies voor een nationale richtlijn voor sport- en beweegruimte. Kernpunten van de richtlijn zijn sturing op beschikbare ruimte in gemeenten, optimalisatie van accommodaties en het inrichten van een beweegvriendelijke openbare ruimte. Schadenberg: ‘Deze richtlijn is een aanvulling op de vuistregels voor een beweegvriendelijke omgeving die onlangs zijn gepresenteerd door het RIVM. Samen bieden ze gemeenten extra sturingsinformatie om sport en bewegen op te nemen in ruimtelijke plannen.’
In de vuistregels staat onder andere vermeld welke cruciale voorzieningen binnen een straal van 1500 meter te vinden moeten zijn. Een ander belangrijke regel is dat minimaal 25 procent van de openbare ruimte primair bedoeld moet zijn voor bewegen, spelen en sporten. Schadenberg: ‘De openbare ruimte speelt een steeds belangrijkere rol in ons beweeggedrag. Zo zijn mensen meer individueel gaan sporten. Ze doen aan hardlopen, wielrennen en mountainbiken. Gemeenten kunnen dat in de openbare ruimte op een goede manier faciliteren. De vuistregels helpen hierbij.’
Ruimtelijke ordening
Schadenberg en zijn collega’s zien dat er steeds vaker een koppeling is tussen sport en bewegen en ruimtelijke ordening. ‘Het thema beweegvriendelijke omgeving leeft onder beleidsmakers van verschillende domeinen. Dat zien we ook steeds vaker terug in beleidsstukken. Een goede ontwikkeling, maar het is hierbij wel belangrijk dat we alle data goed in beeld hebben. Helaas is er bijvoorbeeld nog slecht zicht op de toegankelijkheid van sportaccommodaties.’
Uiterlijk 2030 moet de toegankelijkheid van alle sportaccommodaties in beeld zijn, stelt de onderzoeker van het Mulier Instituut. En daarvoor is volgens hem nog een hoop werk te doen. ‘Beleid en regelgeving over toegankelijkheid voor mensen met een beperking is nu nog erg versnipperd. En deze is zelden concreet of verplicht. Nog lang niet alle sportaccommodaties zijn hierdoor toegankelijk voor iedereen.’
De hardware is hierbij slechts één van de knoppen waaraan gedraaid kan worden, stelt Schadenberg. ‘De kwaliteit en toegankelijkheid van accommodaties is belangrijk, maar we moeten ook kijken naar de software en de orgware. Hoe kunnen we de bestaande accommodaties beter benutten? En hoe kunnen we de accommodaties anders inzetten om ook de mensen die nu nog niet sporten te bereiken? De nieuwe richtlijn, die nog dit jaar gepresenteerd wordt, moet er in ieder geval voor zorgen dat sport en bewegen voldoende aan tafel komt bij bijvoorbeeld gebiedsontwikkeling.’